Meditatie tijdens het Zingen onder de Peperbus 22 februari 2026
’t Het nog noeit zo donker west, of ’t wer altied wel weer licht
Als grondgedachte werden de volgende Bijbellezingen gebruikt:
Jesaja 9 vers 1 tot en met 3
Johannes hoofdstuk 8, de verzen 12 tot en met 15
Mattheus hoofdstuk 5, de verzen 14 en 16
Zoals Jezus vertelde was het zo mooi en vaak in de beeldende taal van het dagelijkse leven. Hij deed dit om dat Koninkrijk van God toegankelijk te maken, voor wie, ook voor u in de basiliek vanmiddag in dit gezegende uur. Zijn boodschap over liefde, vergeving en de relatie van God met de mens, iedere mens! Met de enkeling sprak Hij toen zelfs tot midden in de nacht. Met de grote mensenmassa’s sprak Hij vele malen. Velen zullen aan Zijn lippen gehangen hebben, op een wijze dat ‘de tijd’ er plotseling niet meer toe deed en dat men iets kon voorvoelen van de Eeuwigheidswaarde, die de Man die voor hen zat, en tot hen sprak, in zich droeg, als een voor ons te ontfutselen geheim. Jezus droeg die mysteries met zich mee, waarin anderen mochten delen. “Het wordt al avond Heer, hoe moeten we hen voeden? De dag is bijna voorbij, of moeten wij hen wegsturen Heer, naar de dorpen en de boerderijen, zullen we ze wegsturen?” Moeten ook wij vandaag naar de dorpen in de omtrek gaan? Wie geeft hen te eten, wie geeft ons dat voedsel? En dat voedsel voor het leven – eeuwig leven? Ze hebben op die berg vast ademloos geluisterd, toen Hij ze in de ogen keek, toen Hij zich neerzette en zijn mond opende voor de lijdenden, de hopelozen, de mensen zonder uitzicht, de mensen levend in de donkerte en verlangend naar het licht, de verschoppelingen van de wereld. En als Hij spreekt over de lichamelijke werken van Barmhartigheid, wat zal het stil geweest zijn bij hen, die zich in zijn troostende woorden herkenden. Wat hadden wij daar graag temidden van die massa op die berg gezeten. In elk geval heeft Jezus de aanwezigen, die zich neer hadden gezet goed geobserveerd, gesproken, gehoord, gevoeld. Voor hen, voor wie het leven zwaar was en die mochten weten, dat zij de Man Gods voor zich hadden, Onze Lieve Heer voor zich hadden, die zelf als het Licht aan het einde van de tunnel was en aan het einde van onze levens-tunnel is.
Er staan zo’n veertig gelijkenissen in het Nieuwe testament, Een boer ging uit om te ploegen en er reisde eens een man van Jeruzalem naar Jericho. Er was eens een vijgenboom. Een kameel en het oog van de naald en over de nieuwe stof op het oude kleed en veel meer.
Deze wijze van vertellen kent men in het Heilig Land nog steeds.
Tijdens een bezoek aan dit land, hadden wij als pelgrims een gids, die zulke levensechte verhalen vertelde. Zo vertelde hij ons in de stad Jericho het antieke Joodse verhaal over een stad, waar een man al jaren de wacht liep als het donker werd. Dan kon je nauwelijks een hand voor ogen zien. Elke nacht liep hij door de straten van die stad en voelde dan aan deuren, of ze wel goed dicht waren. De waker waarschuwde bewoners bij brand of onraad. Hij kende de weg als geen ander. Hij wist waar je kon struikelen. Aan de weerkaatsing van zijn voetstappen herkende hij precies waar hij liep. Hij had in feite geen licht nodig, want hij zag in de duisternis meer dan anderen konden zien. Hij was niet bang, want hij was een gelovig mens en de Thora was voor hem als een lamp voor zijn voeten en als een licht op zijn pad. In die stad woonde ook een rabbijn. Hij kon de slaap niet vatten. Toen ging hij de straat op en die nacht zou zijn hele leven veranderen, want hij liep in een steegje van de stad de nachtwacht letterlijk tegen het lijf. “Maar wat doet u hier?”, vroeg de rabbijn aan de nachtwaker, “Ik ben aangesteld om over de inwoners van de stad de wacht te houden. Omdat ik waak, kunnen ze rustig slapen, hoeven ze ook niet bang te zijn, het moeten er honderden zijn, maar hoeveel precies, dat weet ik niet”, zei hij. “En u dan?”, vroeg de nachtwacht aan de rabbijn; “Over wie waakt u dan eigenlijk?” Maar toen werd het stil, heel stil. De nachtwaker hield een olielampje bij de het gezicht van de man, die geruisloos voor hem stond. Nogmaals stelde hij de vraag, “Maar over wie waakt u eigenlijk?” En het werd opnieuw heel stil. En toen zei de geestelijke iets bijzonders, het moest van heel ver komen, uit het diepste van zijn hart, maar de woorden kwamen er uiteindelijk uit. “Nachtwaker, als het donker is, wil je dan ook over mij waken? Ik heb niemand anders. Wil je ook over mij de wacht houden als het donker is?”
Maar meestal zien wij het licht niet, we zien er slechts mee. Licht is bijna zoiets als lucht. Het is een gegeven en de mens staat niet zo lang stil bij het idee van licht, dan een vis bij het gegeven van het water, waarin hij alle dagen als een soort vanzelfsprekendheid verblijft.
De nachtwacht had een olielampje. In die tijd deden ze een klein beetje zout in de olie, want ze hadden ontdekt dat de vlam dan helderder werd. Dat heeft Jezus ook geweten. Hij zal thuis gezien hebben, hoe zijn moeder Maria dat deed. Hij heeft vast gezien, hoe ze zout gooiden in de smeltovens voor metaal. Dan krijg je een metaal dat beter van kwaliteit is. Alleen dat zout (smeltzout), daar heb je na afloop niks meer aan.
De smelters gooiden dat voor de deur neer.
Je kon de sintels met het zout horen knisperen onder de sandalen, als je er overheen liep. Nee, het was er alleen maar zinvol om door de mensen vertrapt te worden. Maar nu dat olielampje nog. Zet het op een standaard, zo dun als een korenaar, de korenmaat, zet het er bovenop, zodat het licht geeft in het hele huis, en voor iedereen. En Jezus zag de stad Jeruzalem, helemaal in het witte marmer, spierwit en stralend. Tot op de dag van vandaag een bouwvoorschrift er mag alleen met witte steen gebouwd worden. Helemaal stralend wit. Die stad kun je van verre zien, 750 meters hoog ligt het, de stad straalde toen al.
Tot slot breng ik u met uw museumjaarkaart, of binnengekomen op andere wijze, naar de kelder van het Rijksmuseum in Amsterdam. Daar hangt een beroemd schilderij van de Meester van Alkmaar. Hij schilderde in 1504 op zeven panelen de werken van Barmhartigheid. Op het eerste tafereel kun je nog zien, hoe het brood aan de hongerigen wordt gegeven. Jezus kijkt vanuit het licht de museumbezoekers recht in de ogen. Het licht van de wereld kijkt je met vriendelijke ogen indringend aan. Maar als er op het volgende paneel water wordt geschonken, dan staat Hij plotseling verborgen in het publiek. Als er gekleed wordt en als de vreemdeling geherbergd wordt, als er bezocht en getroost wordt bij zieken en in de gevangenis, dan kijkt het Licht der wereld toe.
De verborgen boodschap is, ‘Maar wat Ik kan, maar jij kunt het ook, jij kunt het licht laten zijn voor de naaste. Ja, jij kunt zijn als een stad op de berg, stralend – als een licht op de Korenmaat, je kunt stralen en als het zout der aarde zijn. Doe het, want dan is er geen duisternis die je kan overmeesteren. Dan zal het nooit zo duister zijn of het wordt wel weer licht’.
Theo van der Sman – em. pastoor te Rossum (Overijssel)
